In deze cursus bekijkt u de moderne kunst vanaf 1800 tot nu door een andere ‘lens’. Bekende schilders als Gustave Courbet, Edgar Degas David Hockney en kunstfotografen als Erwin Olaf of Rineke Dijkstra worden belicht vanuit vragen over realisme en verhalen in de kunst.
Mag je een foto naschilderen, is dat nog kunst, moet je betalen voor rechten? Bestaat er in het huidige digitale tijdperk nog wel een strikte grens tussen beide media? Ook de opkomst van door kunstmatige intelligentie (AI) gegenereerde beelden zorgt voor een radicaal nieuwe dimensie. In de cursus leert u meer over belangrijke kunstwerken en stijlen. Maar de bijeenkomsten gaan ook over heel boeiende vragen over wat kunst is? De discussie over handwerk versus mechanica in de negentiende eeuw verschuift steeds meer naar vragen over menselijke creativiteit.
Uitgangspunt: de fotografie heeft vanaf 1800 een veel meer omvattende invloed op de schilderkunst dan traditioneel gedacht wordt. Allereerst een verkenning door goed te kijken en zich te verbazen.
De wisselwerking tussen fotografie en beeldende kunst ontstaat al rond 1800. De gangbare opvatting is dat de opkomst van de fotografie de schilderkunst van belangrijke functies heeft ontdaan. Maar er is ook een andere invalshoek: de schilderkunst heeft bijgedragen aan het ontstaan van de fotografie. Door olieverf studies van John Constable en Pierre-Henri de Valenciennes treden veranderingen op die fotografisch kijken mogelijk maken.
De ontwikkeling van de dans fascineert beide partijen. Het zoeken naar de weergave van beweging is voor impressionisten en futuristen een fascinerende opgave. De komst van het kiekje en de eerste foto-film pogingen helpen daarbij. Het picturalisme is de eerste stroming waarin fotografie als een op zichzelf staande kunstvorm wordt gezien. Kunstenaars doen pogingen om de kunstfotografie gelijk te stellen met schilderkunst en etskunst van die tijd. Dat gebeurt door enscenering of door middel van fotografische ingrepen waardoor foto’s wazig worden en lijken op een ets of pasteltekening.
Als reactie op fotografen die schilders willen lijken, ontstaat een liefde voor de foto zonder opsmuk. Vooral in kunstscholen zoals het Bauhaus proberen kunstenaars het medium fotografie uit. Zij verwerpen de klassieke compositieregels die overgenomen zijn van de schilderkunst en zoeken naar een eigen vormentaal. Er komen experimenten met allerlei voor de schilderkunst abnormale standpunten. Surrealisten stellen beelden opnieuw samen zodat ze vervreemdend werken en nieuwe betekenissen krijgen.
De foto is niet meer weg te denken als belangrijke kunstvorm. In stromingen zoals het abstract expressionisme en de popart is er een vruchtbare uitwisseling. Het fotorealisme met zijn zo objectief mogelijke registratie maakt het onderscheid nog vloeiender.
Vanaf de jaren tachtig overschrijden kunstenaars meer de grenzen van de traditionele fotografie. Kunstenaars als Jeff Wall en Gregory Crewdson houden niet meer vast aan het gegeven van één beeld en kiezen voor digitale verhalen met een filmisch karakter. Anderen zoals Cindy Sherman en Levi van Veluwe maken werken die doen denken aan theater. De door AI gegeneerde foto’s of schilderijen roept nieuwe vragen op.
Maandagmiddag 13.30-15.30
Dinsdagochtend 10.30–12.30 uur
Het inschrijfgeld voor de cursus “Schilderkunst en fotografie: een stormachtige relatie” bedraagt € 105 . Inclusief een kopje thee of koffie in de pauze. Ook ontvangt u na elke bijeenkomst een uitgebreide digitale samenvatting.
Voor de dinsdagochtend zijn er helaas geen plaatsen meer beschikbaar.
De faam van München, kunststad 1850-1910