De achttiende eeuw is voor veel kunstliefhebbers een soort ‘niemandsland’ tussen barok en moderne kunst. Misschien niet altijd meer naar onze smaak en qua stijlen best complex. Maar deze eeuw is juist heel boeiend. Ze markeert een dynamische periode in de kunstgeschiedenis. Hierin gaan de stijlen van de dramatische barok en het speelse rococo over naar het meer sobere neoclassicisme. De late achttiende eeuw kondigt zelfs in dat strenge neoclassicisme de subjectieve expressiviteit van de romantiek aan. Deze stijlen weerspiegelen de snel veranderende culturele landschappen van Europa en de geest van de Verlichting.
Handboeken en overzichten zijn eenduidig. De rococokunst wordt gepositioneerd als een versie van de late barok, gevolgd door het neoclassicisme. In deze eerste bijeenkomst vormt dit overzicht ons eerste oriëntatiepunt. Recent onderzoek laat echter zien dat de gebruikelijke indeling niet zo zwart-wit is. Barokrevival, archeologisch classicisme, rococo, fantasie gotiek en vroege romantiek lopen door elkaar heen. De afwijking van het vaste schema levert juist veel spannende kunstwerken op.
Pruissisch blauw en Pompadour-roze. Een specifiek palet en de ontdekking van nieuwe kleuren zegt veel over maatschappelijke waarden en ideeën in de achttiende eeuw. Ook de gebruikte materialen geven inzicht daarin. Zo is er de ‘pastelgekte’. Rond 1750 bereiken pastels een ongekend hoogtepunt in populariteit en waardering. De droge, satijnachtige pigmenten, vervaardigd in staafjes van elke kleur, zijn draagbaar en maken een snelle uitvoering mogelijk. Vanaf 1760 wordt de aquarel een gevierde kunstvorm. Zowel pastelkrijt als aquarel zijn gemakkelijk mee te nemen op lange tochten als de Grand Tour.
Na de grootse, gewichtige ernst van de barokperiode volgt een speels gefluister. Er vindt een bewuste verschuiving plaats van het monumentale naar het intieme, van het publieke spektakel naar de privésalon. Galante feesten, frivole herenhuizen, erotiek in pastel en dwaasheden in het tuinlandschap, zijn geen oppervlakkige grillen. Parken, schilderijen en design illustreren ook het verschijnsel van een culturele nivellering. Aristocratie en hogere burgerij versmelten tot één cultuurdragende elite.
De magie van de weelde werkt niet langer. De soberheid en ingetogenheid van het neoclassicisme weerspiegelen de geest van de Franse Revolutie en de ideeën van de Verlichting. Rond 1760 is vooral de invloed van de opgravingen in Pompeï en Herculaneum zichtbaar. In de architectuur lijken openbare gebouwen in de vorm van tempels de eredienst te vervangen. Maar aan het einde van de achttiende eeuw kondigt zich al een modernere tijd aan. In de bouwkunst ontstaan visoenen van geometrische steden en dames in klassieke contouren en gewaden krijgen nachtmerries.
De academie als bolwerk van de traditie waarbinnen slechts hogere cultuur past, verliest aan macht. De levensstijl verandert: mensen willen zelf kiezen. Dat leidt in de beeldende kunst onder meer tot een andere verhouding tussen kunst, kunstenaar en publiek. De Salon in Parijs met de eerste openbare tentoonstellingen, de komst van meer vrouwelijke schilders en de voorkeur voor thema’s als “De gelukkige moeder” getuigen hiervan.
Het jaartal 1800 staat voor de komst van de moderne kunst. Maar in de achttiende eeuw zien we al voorbodes van de Romantiek. Er is een culturele verschuiving weg van neoklassieke formaliteit. Emotie, natuur en het individu worden benadrukt door thema’s als ruïnes, wilde landschappen en het sublieme. Dit is te zien in de intense expressie van Sturm-und-Drang, in fantasie en mysterie in ‘gothic horror’ en in diepgevoelde persoonlijke reacties op natuurlijke schoonheid in tuinen en landschapsschilderkunst.
Maandagmiddag 13.30-15.30
Dinsdagochtend 10.30–12.30 uur
Het inschrijfgeld voor de cursus “De achttiende eeuw in de schijnwerpers” bedraagt € 105 . Inclusief een kopje thee of koffie in de pauze. Ook ontvangt u na elke bijeenkomst een uitgebreide digitale samenvatting.
Onderstaande knop is pas actief vanaf 5 januari 10.00 uur.
De faam van München, kunststad 1850-1910